8. Onrust

Met de komst van de militairen is de rust meteen teruggekeerd en verzekerd. Natuurlijk: veel 'belhamers' zijn op de vlucht voor de justitie, zoals weldra uit klachten van boeren in de omgeving blijkt. Voor de achtergebleven poldergasten vormt het legertje van 70 kurassiers een te grote overmacht. 's Avonds om half tien, als de branden grotendeels zijn geblust kan het detachement terugkeren naar Alkmaar. Met medeneming van de ijzeren geldkist van Huyskens waarin naar verluidt meer dan twintigduizend gulden op de gelukkige plunderaar lag te wachten. De sleutel is echter onvindbaar gebleven. Twintig kurassiers blijven achter in Boekel voor eventualiteiten.

Het herstellen van de rust is niet het grootste probleem. Veel meer worden de autoriteiten gekweld door de vragen hoe zo'n lavei heeft kunnen gebeuren en hoe zulks in de toekomst kan worden vermeden. Weer wordt het lavei niet naar zijn oorzaak geanalyseerd maar wordt doeltreffender preventie en beteugeling gezocht. De hele zomer blijft een aantal kurassiers in Alkmaar gestationeerd. Infanteristen zullen onophoudelijk langs de werken patrouilleren. Op verzoek van Blanken neemt de kavalerie 's zaterdags, betaaldag, strategische posities in. Men heeft lering getrokken uit het feit dat Lourens Veer geen gehoor heeft gevonden bij de commandant van het garnizoen te Alkmaar.

De provinciaal Commandant doet na overleg met de gouverneur een rondschrijven uitgaan naar alle garnizoenen met de mededeling dat op het eerste verzoek van officieren van justitie maar ook, en dat is nieuw, op aanvragen van schouten, als hoofden van politie, militaire assistentie moet worden verleend. Blanken maakt deze maatregel bekend en verzoekt al zijn opzichters hem onmiddellijk op de hoogte te stellen als er zich weer ongeregeldheden voordoen. Op die manier kan hij ook voldoen aan het verzoek van minister van Justitie Van Maanen, hem op last van Willem I gedaan, voortaan maandelijks inlichtingen over het werkvolk naar het departement op te sturen.

De staking op het negende en tiende perceel verloopt intussen snel. In de nacht van dinsdag op woensdag wordt nog een poging gedaan een dam door te steken maar een patrouille vindt alles weer rustig. Blanken heeft onmiddellijk stappen ondernomen om de werklui de eerstvolgende zaterdag zelf naar genoegen te betalen. De borgen van Huyskens, Simon Pronk en Johannes Hegeraad, nemen de zaak een week later over. Ter vermijding van verdere onlusten tot geregelde betaling gemaand weten zij de ijzeren geldkist van Huyskens uit de handen van de justitie te peuteren. Weldra is het loon van de poldergasten gelijk aan dat van hun vakbroeders die op andere percelen werkzaam zijn.

Een week later breekt - toeval of opzet? - toch een dam door. De putten lopen vol en er is vooralsnog weinig werk mogelijk: de meeste poldergasten vertrekken en worden pas weken later door anderen vervangen. Op deze ontwikkeling past de mededeling die Minister de Mey van Streefkerk op 2 juli uit Brussel ontvangt: Willem I acht een verdere vermeerdering van maatregelen tot handhaving van de rust langs het kanaal niet nodig. De koning wil eerst horen wat de commissaris-generaal van Oorlog er van vindt en bovendien houdt ook de gouverneur van Noord­ Holland de al eerder genomen stappen voor voldoende. Op 3 november van hetzelfde jaar wordt het extra detachement kurassiers uit Alkmaar teruggetrokken, zowel omdat het werk voor dat seizoen ten einde loopt en het getal der werklieden snel afneemt, als omdat "de gesteldheid der kleiwegen in het regenseizoen niet wel toelaat van Cavallerie gebruik te maken" (PANH nr. 396).

Waar de oorzaak niet wordt weggenomen blijven de gevolgen. De doeltreffender preventie kan de herhaling van althans het begin van onlusten en stakingen in de zomer na het lavei en gedurende de verdere aanleg van het kanaal niet verhinderen. Wel maakt de toegenomen militaire macht het de autoriteiten mogelijk in hun standpunten en handelwijze ten opzichte van het werkvolk te volharden.

Als op 25 juni al weer nieuwe ongeregeldheden worden gemeld op de percelen van de Beemsterringsloot (van wijlen de aannemer Huyskens), waar onderbazen worden bedreigd en mishandeld, en uit Graftdijk op de percelen van de aannemer G. Verschuur laat Blanken in zijn teleurstelling over deze disorde niets blijken van enig nieuw inzicht. Sprekend uit een ervaring van meer dan 50 jaar is hij ervan overtuigd dat een dadelijk op de plaats werkend gezag nodig is om de rust te handhaven. Immers: "Het zijn geen gewone burgers, het is een geheel bijzondere troep van menschen, die meerendeels gediend hebben, en eene dienovereenkomstige behandeling vorderen, om ze zeer gemakkelijk in rust te houden en zoo nuttig te doen zijn, als zij inderdaad voor dit land, dat door dijken en zware waterwerken te begunstigen en te behouden is, onmisbaar en noodzakelijk geacht moeten worden". (PANH nr. 365 ii) Voor het ogenblik zijn vijf kurassiers voldoende.

De staking die op 17 augustus 1823 - weer op de percelen 9 en 10 van wijlen Huyskens - plaats vindt, geeft de overheid weer reden te over het kwaad te zoeken in de aard der mensen. Daar de kurassiers van Alkmaar toevallig 'wandelrijden' wordt de infanterie er op af gestuurd. Om half elf in de morgen komt het detachement te Boekel aan waar het kan constateren dat het volk dronken is, maar dat er geen 'feitelijkheden' dreigen. Tegen een uur rapporteert ingenieur Radonghijben dat de staking er op neer komt dat circa 150 man, merendeels beschonken, de andere werklieden het werken trachten te beletten, maar verder geen kwaad in de zin hebben. De polderwerkers Gerrit Offermans en Henk Wilherm worden opgepakt wegens het bezigen van 'onrustende uitdrukkingen'. Piet Theunisse schrijft de gouverneur: "..Bij deze gelegenheid kan ik niet nalaten Uwe Excellentie onder het oog te brengen dat de oorzaak van deze dagelijkse ongeregeldheden niet alleen bestaat in de geringe loon welke de arbeiders verdienen, daar doch de onbeschonkenen volgens Informatie zeer te vreden scheenen te zijn, maar bijzonder en voornamelijk. Dat men zondags in de keeten laat Speelen en Dansen, Dobbelen, Horlogien en andere goederen verlooten, waardoor de Poldergasten bet geld welke zij Zaturdags ontvangen hebben verliezen en verdobbelen en zich vervolgens aan het buitensporig gebruik van drank overgeven, hetgeene ik als de ware oorzaak van die ongeregeldheden beschouwe". (PANH nr. 385)

Waarom het volk, de volgende dag nuchter, het werk vooreerst nog niet wil hervatten kan de Officier van Justitie op deze wijze echter niet verklaren. Alweer wijst Lourens Veer als enig op andere oorzaken buiten de drank: "Ik heb de Eer UHEGestr. te berigten dat de onlusten onder bet werkvolk aan het kanaal alhier wel zijn beteugeld en de rust is bewaard, doch dat het volk nog niet genegen is den Arbeid te hervatten. Ik kan niet ontveinzen dat ik van gevoelen ben dat ook den Aannemer of de geene welke met de Werkzaamheden alhier is belast niet geheel van Schuld is vrij te Spreken en het noodzakelijk zoude zijn die Heeren daar eens over te doen onder­houden daar het toch aan deze Gemeente en alle anderen waar zulks plaats vindt veele onaangenaamheden en onrust veroorzaakt". (PANH nr. 386) Nadere uitleg zal hij de gouverneur - en ook de lezer - niet meer kunnen geven: een week later staat zijn overlijdensbericht in de Alkmaarse Courant. De schout is 57 jaar geworden. (Alk. Courant 1 sept. 1823 nr.36)

Het blijft daarom bij een opdracht van de gouverneur, even later zelfs van Willem I, om via de plaatselijke politieverordeningen het dobbelen en verloten op kermissen en andere dan kermisdagen te verbieden. Later in het jaar blijkt dat ook de houding van de ingezetenen van Akersloot nogal dubbelzinnig is ten opzichte van de poldergasten.

In een brief aan de gouverneur schrijft het gemeentebestuur in december dat er op de percelen van Huyskens nog bijna 300 werklieden en talrijke vrouwen en kinderen wonen terwijl er nog maar werk is voor 200 man. Als de specie op het talud aan beide kanten van het kanaal wat gladgestreken is kunnen de dammen worden afgebroken en kan het werk worden beëindigd met het dempen van het hulpkanaal. Er is dus nog maar voor weinig handen werk. Het gemeentebestuur toont zich beklemd door het grote getal der overtollige werklieden die bij gebrek aan een eigen vaste woonplaats elders in de keten zijn blijven hangen. Zij bezorgen de ingezetenen meer overlast dan deze kunnen of willen verdragen. Waarop het bestuur een lange litanie laat volgen over vagebonden die liever hout en schapen stelen en de inwoners van de gemeente onder bedreiging spek en brood afbedelen dan werken. Vanwege de achteruitgang van de graan­prijzen is de gemeente naar eigen zeggen niet bij machte de militaire hulp en derzelver inkwartiering te bekostigen die nodig is om de goederen van de in- en opgezetenen te beschermen. Het gemeentebestuur vraagt de gouverneur daarom de aannemer Hegeraad, die de werklieden niet meer dan tien turven per man per week en in het geheel geen water verstrekt, op zijn plichten te wijzen. Wat de overtollige werklieden betreft richten de gemeentenaren zich tot de gouverneur met de bede de keten van dat volk af te breken en het de wijde wereld in te zenden: "Het is ons eindelijk voorgekomen, dat wij U.H.E.G. met den meest mogelijken aandrang behoorden te verzoeken:

  1. den aannemer Hegerard te gelasten en aan te schrijven om de werklieden bij hem in dienst, allen behoorlijk van water en Brandstoffen te voorzien, bet laatste voornamentlijk tot die hoeveelheid, als U.H.E.G. in billijkbeid zal vermeenen te moeten bepalen; - Tien Turven toch is naauwelijks toereikende voor eene dag, veel minder voor eene geheele week
  2. door den aannemer Hegerard, met adsistentie van de Justitie, die Keeten te doen wegnemen, waarvan de bewoonders (grootendeels Brabanders) tegenwoordig niet verkiezen te werken, en welker Keeten alzoo als overbodig kunnen worden beschouwd, ten einde deze menschen (wij zouden ben, indien ons dit geoorloofd was met de naam van vagebonden bestempelen) alzoo de Gemeente te doen ontruimen, en dat aan ons de vrijheid mogt worden gegeven, de Ingezetenen generaal op de ernstigste wijze te interdiceren de zoodanige buisvesting te verschaffen -". (PANH nr. 407)

Blanken schrijft de gouverneur daarop dat er van de 234 aanwezige werklieden slechts 40 geen werk hebben. De keten mochten tegen hoge prijzen door aannemers, ploegbazen en zoetelaars op het land van de ingezetenen worden neergezet. Om dat gewin te behouden hebben de ingezetenen zelf het opruimen der keten tegengehouden, zodat zij in zekere zin zelf verantwoordelijk zijn voor de door hen ondervonden overlast.

De nieuwe schout wijst bij deze aangelegenheid nog op een andere factor: hij vraagt zich af waarom het werk zo lang moet voortduren. Andere jaren was het werkseizoen steeds veel eerder afgelopen en was er van overlast geen sprake. De problemen rond de aanbesteding der werken blijken dus nog lang na te slepen. ln ieder geval draait het er op uit dat de godvrezende gemeente Akersloot een deel van de arbeiders met Kerstmis uit hun huizen verdrijft, welk lot de inwoners van nog een dertigtal andere keten op oudejaarsdag te beurt zal vallen. Van hen is verder geen bericht. ln het volgende jaar beginnen de onlusten al vroeg. Ook langs het kanaal bóven Alkmaar zijn er gedurende de wintermaanden veel poldergasten die hun maag alleen met gestroopte konijnen gevuld weten te houden. Speciaal de Koninklijke Domeinen in de omgeving van Callantsoog, de Zijpe en Den Helder worden meermalen met een nachtelijk bezoek vereerd. Voldoende voor het provinciaal Kommando om een wachtmeester en zes kurassiers bij pachtboeren in de buurt onder te brengen. De cavaleristen krijgen "vivres" en "fourrages" van Rijkswege verstrekt, tegen betaling aan de pachters van 35 cent voor het eerste en 42 cent voor het laatste. De eerste februari 1824 dreigt er een staking uit te breken bij Graftdijk. Althans, volgens de autoriteiten. De ene arbeider, die daar in dronkenschap om loonsverhoging heeft gevraagd onder bedreiging anders de volgende dag met zijn kameraden terug te komen om de keet in brand te steken, krijgt visite van acht militairen en twee gerechtsdienaars. De angst bij aannemers en overheid is groot: zoo is het vorig jaar bij Huyskens ook begonnen. De aannemers spreken hun dankbaarheid uit voor de zo prompte militaire assistentie.

Op 12 mei komt de krachtproef. In het Koegras leggen bijna 500 kanaalwerkers de zaak plat. De hier verantwoordelijke ingenieur, Jan Glimmerveen, weet de hulp van zestig Cavaleristen te verkrijgen. De rust keert weer maar er wordt nog niet gewerkt. Alle beschikbare troepen worden daarom in gereedheid gebracht om in te grijpen en de polderwerkers, zo ze het werk niet willen hervatten, weg te jagen. De poldergasten ­houden vol. Waarop 500 van hen door de militairen worden verdreven. Elf poldergasten maken kennis met het cachot. Vier worden er later veroor­deeld. De overgebleven werklieden zwichten. Langzamerhand en onge­merkt worden de Cavaleristen teruggetrokken.

Het werk nadert zijn einde. In oktober 1824 maakt een pachter te Jisp nog misbaar over het feit dat de kanaalwerkers weigeren de tol te betalen voor het passeren van de weg bij Agterdigtinge. Een vermaning van de gouver­neur aan de betrokken aannemers heeft kennelijk het gewenste effect. Het laatste bericht over het werkvolk komt eveneens uit Jisp. Uit een brief van de schout van die gemeente aan de gouverneur blijkt dat zich op 9 februari 1825 60 poldergasten bij voornoemde schout hebben gemeld met klachten over hun aannemer F.C. van Spanje. Deze heeft hen op het vierde perceel van het kanaal, bij Buyksloot, laten werken zonder hen uit te betalen. Ten prooi aan volslagen gebrek verzoeken de polderwerkers de schout om hulp. De noodlijdende gemeente Jisp kan hen echter niet helpen. De schout verzoekt de gouverneur daarom zijn invloed aan te wenden om te zorgen dat deze mensen hun geld krijgen. Van Tets van Goudriaan vraagt Blanken om commentaar, "daar het in deze ogenblikken vooral van belang is dat die lieden geregeld betaald worden". (PANH nr. 490) In het antwoord van de inspecteur-generaal is de houding van de overheid ten opzichte van de polderjongens samengevat. Hij gaat in het geheel niet op de klacht in. Volgens Blanken zijn het vast verlopen arbeiders geweest. "Het verstaat zich vanzelf, dat den Heer Schout, om eenig gevolg aan zijn klagt te geven, zich beter had behooren te informeren, en de namen van die personen op te tekenen, bevorens de moeite van antwoord te vragen op zoodanige algemeene klagt". (PANH nr. 490)

Het militair machtsvertoon tijdens het werk aan het Groot Noordhollandskanaal is voldoende geweest om deze algemene klacht te doen verstommen.



       
Laatst gewijzigd: 27-12-2006