U bent hier
De kleine wereld van
Hendrik Kuiper
http://www.jeroensprenger.nl/hendrik-kuiper-01.html

© 2013 De kleine wereld van

Hendrik Kuiper

Hendrik J. Kuiper (roepnaam: Hendrik), bestuurder van het R.K. Werkliedenverbond in Nederland, is geboren te Loosduinen op 24 augustus 1897 en overleden te Utrecht op 10 maart 1985. Hij was de zoon van Willem Kuiper, arbeider, en Johanna Vellener. Op 12 juli 1922 trad hij in het huwelijk met Jozina Francisca Helena Loerakker, met wie hij zeven dochters en zes zonen kreeg.

Meteen na de lagere school ging Kuiper op zijn twaalfde aan het werk als tuinarbeider. Hij sloot zich aan bij de Rooms-Katholieke Vereeniging van Tuinarbeiders in Loosduinen, waarvan zijn vader penningmeester was. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werden de laagbetaalde tuinarbeiders geconfronteerd met sterk stijgende kosten van levensonderhoud. Omdat een lokale vakorganisatie daartegen weinig kon uitrichten, sloot de Loosduinse tuinarbeidersvereniging zich aan bij de Nederlandsche Roomsch-Katholieke Bond van Bloemist-, Tuin-, Veen- en Landarbeiders 'St. Deusdedit', die in 1915 uiteindelijk met succes actie voerde voor de toekenning van duurtetoeslagen. Naast zijn werk volgde Kuiper een tweejarige cursus voor de land- en tuinbouw. Hij klom op tot meesterknecht op een groenten- en fruitkwekerij maar voelde kennelijk ook de behoefte dit vak te verlaten. Op 6 januari 1919 trad hij als propagandist in dienst van de rooms-katholieke bond. Kort daarna, op 1 juni 1919, werd hij hoofdbestuurder. Zijn aanstelling bracht een verhuizing mee naar Schoten bij Haarlem. In 1922 trouwde Kuiper met de dochter van bondsvoorzitter A.J. Loerakker. Als vrijgestelde volgde hij aan de Ontwikkelingscentrale van de katholieke arbeidersbeweging verschillende cursussen om zich verder te ontwikkelen: sociologie, economie, staatsinrichting, Duits en Frans. Ook deed hij het praktijkexamen boekhouden. In september 1927 werd hij hoofdbestuurslid van de Nederlandsche Roomsch-Katholieke Volksbond. Kuiper bleef in dienst van de landarbeidersbond tot 5 november 1935, toen hij 'als jeugdige vitale kracht' gekozen werd in het bestuur van het Roomsch-Katholiek Werkliedenverbond in Nederland (RKWV). Als verbondsbestuurder hield Kuiper zich vooral bezig met de werkloosheidsbestrijding en de werkverschaffing. Hij bleek een inspirerend leider van de werkloosheidsdienst van het Werkliedenverbond, die zich in de crisisjaren bezighield met de problemen rond de werklozenzorg en de werkverruiming met het doel om het leven van werkloze arbeiders zo dragelijk mogelijk te houden. C.J. Kuiper noemde zijn naamgenoot een taaie vechter, die dankzij zijn leerschool in de landarbeidersbond gewend was aan een moeilijk arbeidsterrein. Hij wist zich met een zeker gemak in te werken en had zijn taak spoedig onder de knie. Kuiper was lid van de permanente contactcommissie van de drie grote vakcentrales, die het ministerie van Sociale Zaken adviseerde met betrekking tot de steunregeling. Uit hoofde van zijn vakbondswerk bekleedde Kuiper verschillende functies in de sociale verzekeringswereld. Van 1923 tot 1935 was hij commissaris van de bedrijfsvereniging De Landbouw-Onderlinge en bestuurslid van De Tuinbouw-Onderlinge. In 1935 werd hij bestuurslid van de Middenstandsbedrijfsvereniging. Zoals meer katholieke vakbondsbestuurders was Kuiper ook politiek actief voor de Roomsch-Katholieke Staatspartij in Nederland. Van 1932 tot 1937 had hij zitting in de gemeenteraad van Haarlem, waarin Schoten in 1927 was opgegaan. Van 1935 tot 1937 was hij lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Van 1936 tot de Duitse bezetting was Kuiper secretaris-penningmeester van het Katholiek Comité voor Joodse Vluchtelingen. Kuiper had grote moeite met de pogingen van verbondsvoorzitter A.C. de Bruijn om in het begin van de bezettingstijd tot een vergelijk met de bezetter te komen. Ook de deelname van De Bruijn aan een door het Deutsche Arbeitsfront georganiseerde propagandareis van 9 tot en met 20 november 1940 door Duitsland zinde Kuiper niet. Naar aanleiding van de lovende woorden van de verbondsvoorzitter na zijn terugkeer zei Kuiper dat De Bruijn weliswaar persoonlijk anti-Engels en pro-Duits was, maar dat hij niet pro-nazi was. Op 25 juli 1941 was Kuiper als dagelijks bestuurslid aanwezig toen de Duitser W. Hellwich bekend maakte dat H.J. Woudenberg tot commissaris van het RKWV was aangesteld en dat De Bruijn met verlof werd gezonden. Mede namens Kuiper zei J.A. Schutte dat, nu de nationaal-socialist Woudenberg tot commissaris benoemd was, het hen in geweten onmogelijk was het werk voort te zetten. Drie maal weigerden zij hun weigering te herroepen. Beiden werden twee weken later zonder een cent wachtgeld of pensioen ntslagen. Kuiper zat later enige tijd in St. Michielsgestel als gijzelaar.

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Kuiper terug als secretaris van de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB). Hij nam opnieuw de portefeuille sociale zekerheid op zich. De eerste jaren had vooral de Dienst Uitvoerende Werken zijn grote aandacht. Op 28 februari 1949 verliet Kuiper de KAB voor een directiefunctie bij de Rijksverzekeringsbank (sinds 1952: Sociale Verzekeringsbank). Het is niet uitgesloten dat de slechte verhouding met De Bruijn – beiden waren sterke persoonlijkheden die elkaar, juist daarom, slecht verdroegen – ten grondslag lag aan deze overstap. Op 1 augustus 1956 werd Kuiper benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. In 1962 ging hij met pensioen. Als sociaal verzekeringsdeskundige had Kuiper zitting in adviescommissies van de Sociaal-Economische Raad voor de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen- en Wezenwet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheid. Kuiper, die in september 1937 naar Maartensdijk was verhuisd, dat op 1 januari 1954 werd geannexeerd door de stad Utrecht, was na de oorlog voorzitter van de afdeling St. Maartensdijk van de Katholieke Volkspartij (KVP), vice-voorzitter van de rijkskieskringorganisatie Utrecht en lid van de partijraad. Van 13 december 1949 tot 17 september 1951 had hij voor de KVP zitting in de Eerste Kamer. Kuiper was ridder in de Orde van St. Gregorius de Grote.

LITERATUUR:

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. Deel I (Utrecht 1924), Deel III (Utrecht 1953); A.J. Loerakker, Ontstaan en geschiedenis van den Nederlandschen R.K. Landarbeidersbond 'Sint Deusdedit' (Haarlem 1944); S. Stokman, De katholieke arbeidersbeweging in oorlogstijd (Utrecht 1946); W.G. Versluis, Beknopte geschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland (Nijmegen 1949); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 5 (Den Haag 1974) 378-81; H. Righart, J. Scheerman, 'Het Rooms-Katholiek Werklieden Verbond en de duitse bezetter, mei 1940-augustus 1941' in: Jaarboek arbeidersbeweging (Nijmegen 1978) 245-63; J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Deel 1 (Baarn 1985).

PORTRET:
Hendrikus Jacobus Kuiper, IISG

Auteurs: Jos van Meeuwen, Jeroen Sprenger

Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 8 (2001), p. 130-132
Laatst gewijzigd: 10-03-2003