U bent hier
De kleine wereld van
Een klassiek en ideologisch bevlogen beschouwing bij 100 jaar FNV
http://www.jeroensprenger.nl/een-klassiek-en-ideologisch-bevlogen-beschouwing-bij-100-jaar-fnv.html

© 2013 De kleine wereld van

Een klassiek en ideologisch bevlogen beschouwing bij 100 jaar FNV

De FNV bestaat op 1 januari 2006 100 jaar. Bij zo’n jubileum hoort een boek, zeggen vakbondsbestuurders dan. Maar in dit geval hebben ze het initiatief aan de historicus Sjaak van der Velden overgelaten. Langs klassieke lijnen schetst hij in ‘Werknemers georganiseerd’ de geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging. En geeft hij een even klassiek als ideologisch bevlogen toekomstbeschouwing tot slot.

Het rommelt al lang binnen de vroege Nederlandse vakbeweging als in januari 1903 de Spoorwegstaking uitbreekt. In de Amsterdamse haven wordt gestaakt voor het verplicht vakbondslidmaatschap en het spoorwegpersoneel gaat daarin uit sympathie mee. Daarop breidt de staking zich als een olievlek uit over tal van sectoren. Werkgevers zien zich gedwongen toe te geven aan tal van eisen van de vakbonden. Het kabinet-Kuyper ziet dat aanvankelijk allemaal knarsetandend aan en komt als de euforie enigszins begint te betijen met de zogenaamde Worgwetten. Overheids- en spoorwegpersoneel worden daarbij van het stakingsrecht uitgesloten. De hele vakbeweging gaat daar tegen in verzet en roept op tot een politieke staking. Deze wordt echter een fiasco. Vervolgens pakken de werkgevers alles terug wat ze onder de eerdere staking hebben moeten toestaan. En duizenden arbeiders die een actief aandeel hebben gehad in de stakingen worden ontslagen en geraken aan de bedelstaf. Menige bond legt het loodje. Het zijn deze ervaringen die vakbondsleiders als Henri Polak, de voorzitter van de diamantbewerkersbond, sterken in de opvatting dat de vakbeweging op een andere leest moet worden geschoeid. Spontane stakingen uit sympathie met de strijd van arbeiders in andere bedrijfstakken zijn uit den boze, evenals staken tegen de overheid. Bovendien moet de organisatorische en financiële basis van de vakorganisaties worden versterkt, zodat ook na een nederlaag bij een staking het werk kan worden voortgezet. Hun ijveren leidt op 1 januari 1906 tot het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV).

Klassieke chronologie
Op een prettige en bekwame wijze beschrijft Sjaak van der Velden, medewerker van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, de ontwikkelingen die aan de oprichting van het NVV vooraf zijn gaan. Hij volgt daarin de klassieke chronologische lijnen, die kenmerkend zijn voor vele studies over de geschiedenis van de vakbeweging. Die lijnen trekt hij door tot de massale demonstratie van 2 oktober 2004 op het Museumplein. “Werknemers georganiseerd” is echter uitdrukkelijk geen geschiedenis van NVV of FNV. De verschillende stromingen komen redelijk evenwichtig aan bod. Hoewel hij zijn respect wil betonen “aan de honderden mensen die meer dan een eeuw geleden onder zware omstandigheden de kiem hebben gelegd voor het machtige instituut dat Federatie Nederlandse Vakbeweging heet”, is het zeker geen kritiekloze beschouwing geworden. Maar wat moet men aan met de ideologisch getinte aanbeveling dat de vakbeweging moet terugkeren naar haar kernactiviteit: het behartigen van de belangen van de leden. “We leven immers nog steeds in een kapitalistische samenleving en daarin bestaan tegengestelde belangen van werkgevers en werknemers of beter: kapitaal en arbeid.”
Sjaak van der Velden kent de vakbeweging van huis uit. Twintig jaar heeft hij als timmerman in de bouw gewerkt. In 2000 is hij gepromoveerd op een onderzoek naar stakingen. De sporen hiervan zijn nadrukkelijk in zijn jongste boek aanwezig. Vakbondsgeschiedenis is daardoor bij hem op de allereerste plaats een aaneenrijging van stakingen. Zo maakt hij zijn eigen stelling niet waar dat de vakbeweging “heel belangrijk is geweest voor het tot standkomen van de huidige maatschappij.”

Remake van eerdere vakbondsepossen
“Werknemers georganiseerd” is een ‘remake’ van eerdere vakbondsepossen. Belangrijk voor de nieuwe generatie vakbondsleiders en -kaderleden. En zeker ook voor de naïef enthousiaste leiding van het Alternatief voor vakbond (AVV) die met lage contributies en digitale raadplegingen waar ook niet-leden aan mee mogen doen, een tegenhanger voor de FNV – bolwerk van oude witte mannen - probeert te ontwikkelen. Voor gevorderden in de vakbondsgeschiedenis wekt Van der Velden het verlangen naar een meer analytische geschiedschrijving. Wat is bijvoorbeeld de betekenis geweest van de organisatieprincipes van Henri Polak voor een moderne vakbeweging, zoals een sterke centrale leiding van bezoldigde bestuurders en een stevig financieel fundament? Wat is de invloed geweest van de vakbeweging op de sociaal-economische ontwikkeling, de sociale zekerheid, het arbeidsmarktbeleid? En in hoeverre is de werknemer in de bedrijfssituatie geëmancipeerd tot een serieus te nemen gesprekspartner voor het bedrijfsbeleid? Zo’n studie is een waardevolle toevoeging aan de kennis van de arbeidsverhoudingen in Nederland. Dan kunnen tegenstanders van de vakbeweging, zoals Van der Velden zegt, haar niet langer afschrijven en serieuze historici niet meer laatdunkend doen over onderzoek naar die organisaties.

Sjaak van der Velden: Werknemers georganiseerd, een geschiedenis van de vakbeweging bij het honderdjarig jublileum van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Aksant, Amsterdam 2005. ISBN 90-5260-192-5.